Het specificiteitsprincipe, ook wel het SAID-principe genoemd (Specific Adaptations to Imposed Demands), stelt dat het lichaam zich aanpast op een manier die specifiek is voor het type belasting dat tijdens training wordt opgelegd. Dit betekent dat trainingsaanpassingen het meest overdraagbaar zijn naar activiteiten die qua bewegingspatroon, energiesysteem en intensiteit overeenkomen met de uitgevoerde training: zware krachttraining met lage herhalingen ontwikkelt voornamelijk maximale kracht, terwijl langdurige duurtraining voornamelijk de aerobe capaciteit verbetert, met relatief beperkte overdracht tussen deze twee uitersten. Voor atleten betekent dit dat trainingsschema’s idealiter zijn afgestemd op de specifieke eisen van hun sport: een sprinter heeft baat bij krachttraining die explosiviteit en power ontwikkelt, terwijl een marathonloper meer profiteert van training die aerobe efficiëntie en uithoudingsvermogen verbetert. Het specificiteitsprincipe wordt vaak gebalanceerd met algemene fysieke ontwikkeling: vooral in eerdere trainingsfases wordt een breed fundament van kracht, mobiliteit en conditie opgebouwd, voordat de training steeds specifieker wordt gericht op de exacte eisen van een sport of doel.




