Spiervezels worden doorgaans onderverdeeld in twee hoofdtypen: type I (langzaam samentrekkende, of “slow-twitch”) en type II (snel samentrekkende, of “fast-twitch”) vezels, die elk verschillende eigenschappen hebben en geschikt zijn voor verschillende soorten inspanning. Type I-vezels zijn relatief vermoeidheidsbestendig en efficiënt in het gebruik van zuurstof, wat ze geschikt maakt voor langdurige, lage-intensiteit inspanning zoals duurtraining. Type II-vezels, vaak verder onderverdeeld in type IIa en type IIx, kunnen sneller en met meer kracht samentrekken, maar raken ook sneller vermoeid, wat ze ideaal maakt voor explosieve, korte inspanningen zoals sprinten en zware krachttraining. De verhouding tussen spiervezeltypen in een individu wordt grotendeels genetisch bepaald, maar training kan tot een bepaalde mate de eigenschappen binnen een vezeltype beïnvloeden, bijvoorbeeld door type IIx-vezels iets meer kenmerken van type IIa te laten ontwikkelen bij regelmatige training. Het begrijpen van spiervezeltypen helpt te verklaren waarom sommige mensen van nature beter presteren in duursporten, terwijl anderen meer aanleg hebben voor kracht- en powersporten.




