De antagonist is de spier die de tegenovergestelde beweging van de agonist uitvoert, en die tijdens een beweging doorgaans verlengt terwijl de agonist verkort. Bij een bicepscurl, waarbij de biceps de agonist is, is de triceps de antagonist; bij een beenstrekking is de hamstring de antagonist van de quadriceps. Het samenspel tussen agonist en antagonist is essentieel voor gecontroleerde, vloeiende bewegingen: terwijl de agonist samentrekt, ontspant de antagonist gedeeltelijk om de beweging mogelijk te maken, een proces dat reciproke inhibitie wordt genoemd. Een disbalans tussen agonist en antagonist — bijvoorbeeld een sterk ontwikkelde quadriceps met een relatief zwakke hamstring — kan het risico op blessures vergroten en wordt daarom vaak meegenomen in trainingsplanning. Supersets waarbij agonist en antagonist na elkaar worden getraind (zoals bicepscurl direct gevolgd door tricepsextensie) maken slim gebruik van deze relatie, omdat de ene spiergroep enigszins kan herstellen terwijl de andere actief wordt belast, wat trainingsefficiëntie kan vergroten.




